August 13, 2018
    Elke vorm van communicatie bestemd voor het direct of indirect promoten van goederen, diensten of het imago van de arts is reclame. Vraag is dan volgens welke regels artsen reclame mogen maken.


    Informatie

    Van artsen wordt verwacht dat ze patiënten inlichten over zowel de tussenkomst die ze willen uitvoeren maar ook over tal van administratieve zaken over hun praktijk, zoals bv. de vergunnings- of registratiestatus en of ze al dan niet beschikken over een verzekeringsdekking of een andere individuele of collectieve vorm van bescherming met betrekking tot de beroepsaansprakelijkheid.


    Indien artsen ook diensten verstrekken tegen vergoeding langs elektronische weg op afstand en op individueel verzoek van een patiënt, dan moeten ze ook informatie geven over hun beroepstitel, de bevoegde Orde der Artsen, een verwijzing naar de van toepassing zijnde beroepsregels en hoe die regels kunnen worden geraadpleegd.

    Niet misleiden

    Bij het promoten van hun diensten is het artsen niet toegelaten om patiënten te misleiden omtrent bv. de kenmerken van hun dienste, de prijs of de voorwaarden waaronder de diensten worden verricht (art. XIV.72 Wetb. Econ. Recht).

    Artikel 127, § 2 van de G.V.U.-wet bepaalt dat publiciteit waarin de kosteloosheid van geneeskundige verstrekkingen wordt vermeld of waarin wordt verwezen naar de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging in de verstrekkingen verboden is.

    Nieuwe Code van medische deontologie

    De nieuwe Code van medische deontologie is omtrent reclame veel minder gedetailleerd dan de vorige Code. De Code vertrekt van het principe dat de arts zijn medische activiteit mag kenbaar maken aan het publiek. Die informatie moet echter waarheidsgetrouw, objectief, relevant, verifieerbaar, discreet en duidelijk zijn en mag niet misleidend zijn en niet aanzetten tot overbodige medische prestaties. Het spreekt voor zich dat de Orde er ook zal blijven op toezien dat een arts mag bij het maken van reclame zijn geheimhoudingsplicht niet schendt.


    Esthetiek en reclame

    Een wet van 23 mei 2013 verbiedt het verspreiden van reclame voor ingrepen omtrent niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde. Praktijkinformatie omtrent voormelde ingrepen is volgens die wet van 2013 wel toegelaten wanneer die praktijkinformatie waarheidsgetrouw, objectief, ter zake, verifieerbaar, discreet en duidelijk is. De informatie mag ook niet misleiden, vergelijken of financiële argumenten hanteren. De praktijkinformatie moet de bijzondere beroepstitel(s) van de beroepsbeoefenaar vermelden.

    Geen reclame voor implantaten

    Een wetgever die om de volksgezondheid en de waardigheid van het beroep van een beroepsbeoefenaar te beschermen een verbod op reclame doorvoert waardoor het vrij verkeer van diensten kan worden beperkt, moet aantonen dat het verbod een doel van algemeen belang nastreeft, geschikt is om de verwezenlijking van het doel te waarborgen en niet verder gaat dan wat noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken (HvJ 4 mei 2017, C. 339/45). Het Hof van Justitie oordeelde in een arrest van 4 mei 2017 dat het algemene en absolute verbod op alle reclame voor mond- en tandverzorging, strijdig is met de vrijheid van dienstverlening en verder gaat dan wat noodzakelijk is om het nagestreefd doel te verwezenlijken (HvJ, 4 mei 2017, C 339/45). In een arrest van 15 mei 2018 heeft het Brusselse Hof van Beroep een tandarts die door 3 collega’s werd beschuldigd om in strijd met de wet van 1958 brochures over zijn nieuwe activiteiten te hebben verspreid en een interview op de radio te hebben gegeven, vrijgesproken omdat het Belgische verbod strijdig is met het Europees recht.

    Inzake implanteerbare hulpmiddelen geldt er in België een absoluut verbod voor reclame. Zo verbiedt artikel 9, § 4 Geneesmiddelenwet voor elke fysieke persoon of rechtspersoon om reclame bestemd voor het publiek te maken voor implanteerbare hulpmiddelen. Ook het maken van reclame voor daden die bestaan in het plaatsen of inplanten van implanteerbare hulpmiddelen is verboden. Vraag is of een dergelijk verbod de toets van het Europees recht kan doorstaan.


    Uit Artsenkrant juni 2018

    OPEN DISCLOSURE

    August 13, 2018 On 13 April 2018 the first Adrienne Cullen lecture took place in the University Medical Centre of Utrecht. Adrienne Cullen is a patient of whom a smear was taken for examination in 2011. The results, however, did not get transferred from the pathologist to the treating gynaecologist. It was only two years later that this error was discovered by chance. Meanwhile, the cancer had already spread in the patient’s body.

    BENEFITS OF TRANSPARENCY

    After the hospital initially refused to communicate about the error, it finally organised a public lecture (https://www.umcutrecht.nl/nl/Over-Ons/Nieuws/2018/Open-disclosure-UMC-Utrecht-geeft-openheid-in-fat). The patient, the attending physician and the head of the department explained what went wrong at the time and what consequences this had on their private lives and work. The lecture received the necessary attention in the media (see e.g. De Volkskrant, 13 April 2018; Mediquality, 23 April 2018). The initiative is remarkable. It is not often that a hospital and/or treating physicians openly admit mistakes. This requires courage. Concerns about reputation, fear of legal consequences, fear of negative attitude of the insurer, etc. are often reasons not to talk about mistakes (VERJANS, E., “Informatie van artsen over medische fouten en incidenten aan patiënten”, T. Gez. R., 2017-2018, p. 180). Yet transparency about incidents has many advantages. Patients are given the opportunity to receive the right treatment faster, patients would be less inclined to take legal action, physicians can emotionally deal with the incident in a better manner (VERJANS, E., p. 180) and the physician-patient's relationship can often still be maintained in case of transparency (VANSWEEVELT, Th. en PETITAT, V., “De erkenning van feiten en van fouten door een arts-verzekerde na een schadegeval”, T. Gez. R., 2003, p. 321).

    POSITION OF PROFESSIONAL ORGANISATIONS

    In an advice of 11 December 1999, the National Council of the Order of physicians already pointed out that in the event of a (suspected) medical error, a maximum information of the patient and/or his close relatives is deontologically appropriate and that no insurance provision may by any means hinder this open communication. The Dutch KNMG participated in a Code of Conduct on “open disclosure” in which the care provider is advised to contact the patient in the event of an incident with (possible) consequences for the patient as soon as possible and at the latest within 24 hours after discovery of the incident (https://deletselschaderaad.nl/downloads/GOMA1.pdf). If the investigation on the circumstances of the incident shows that there was indeed an error, the Code of Conduct states that the care provider must acknowledge this error and apologise to the patient. The KNMG realises that it is not easy for a physician to report bad news. The professional organisation offers physicians interesting tips that can help, see https://www.knmg.nl/advies-richtlijnen/dossiers/openheid-na-incidenten.htm. It is important that the hospital and/or physician take into account that after a mistake, the patient and his relatives need more attention than in a normal situation and that both patients and care providers on the contrary often tend to create distance between them.

    GOOD FAITH AND OPENNESS

    Open disclosure after an incident follows from art. 7, § 1 of the Belgian’s Patient Rights Act. This article stipulates that the patient has the right to obtain from the professional all information concerning the patient that is necessary to understand his/her state of health and its probable evolution. Moreover, the duty of transparency may be based on the complementary applicability of the principle of good faith in carrying out the treatment relationship as well as on a general standard of due diligence (VERJANS, E., p. 192). When acknowledging a mistake, a physician has little to fear from the insurer (VANSWEEVELT, TH. en PETITAT, V., p. 319). Even if the physician acknowledges not only a fault but also liability, it is very unlikely that the insurer will be able to successfully take action against the insured physician afterwards (VERJANS, E., p. 195).

    P. 19 Artsenkrant 11 May 2018 | Nr. 2541